Verhalen van burgerslachtoffers van oorlogsgeweld

Home » Verhalen » Verhalen van burgerslachtoffers van oorlogsgeweld

In de herdenking in het jaar 2022 kregen de Deventer slachtoffers van bombardementen extra aandacht. In de aanloop naar de dodenherdenking publiceerde ons comité een reeks verhalen over burgerslachtoffers van oorlogsgeweld in de Tweede wereldoorlog. Het betrof ooggetuigenverslagen van bombardementen, ervaringen van nabestaanden, foto’s en ander materiaal. Het waren in totaal 19 verhalen en 6 video-opnamen. Ze staan hieronder.

Verhaal 19: Betsy en haar baby Corry

Interview van Wim de Jong (lid 4 mei comité Deventer) bij mevrouw Van Dijk-Gerrits en haar man. Beiden zijn in de 90 en al meer dan 75 jaar bij elkaar. Mevrouw van Dijk verloor haar zus Betsy Beltman-Gerrits en haar  enkele dagen oude baby Corry bij een bombardement in Deventer. Haar man was daarvan ook ooggetuige. Volgens hun hulp Daniëlle wil vooral mevrouw daar graag een keer over praten.

Lees meer…

Video-opname 1: “Ooggetuigen oorlogsgeweld”

In onze verhalenreeks over burgerslachtoffers van oorlogsgeweld in de 2e wereldoorlog komen nabestaanden en ooggetuigen aan het woord.
Van een aantal van hen zijn nu indrukwekkende video-opnames te zien.
In deze eerste video komen twee personen aan het woord over het oorlogsgeweld van toen en nu.

Lees meer…

Verhaal 18: De opa van Henk van Dijk

Henk schrijft: “In de Stentor van woensdag 1 december las ik het artikel over de ‘willekeurige slachtoffers’ die in Deventer zijn gevallen tijdens de Tweede wereldoorlog.

Dit artikel heb ik laten lezen aan mijn moeder, Bets van Dijk – Meijer. Ze is ondertussen 85 jaar oud en zij is de dochter van een van deze slachtoffers. In eerste instantie was ze afhoudend aangezien het diepe sporen heeft nagelaten. Dit weekend heeft ze echter aangegeven open te staan om informatie te verschaffen en vragen te beantwoorden.

Lees meer…

Verhaal 17: Herinneringen van Gerrit Hardonk (1924)

Hier mijn verhaal over februari 1945. Ik kwam in 1939 van de ambachtsschool en werkte daar als elektricien in de in aanbouw zijnde kazerne in Schalkhaar. Er was een mobilisatie aan de gang, twee tekenaars van de tekenkamer moesten in dienst. Ik kreeg een tijdelijke aanstelling als tekenaar.
Ik ben er gedurende de hele oorlog gebleven. We kregen een Duitse Einsatzleiter, die vergezeld was van een aantal weldoorvoede telefonistes. Die dikke vrouwen konden bij luchtalarm niet op tijd in de schuilkelder komen.

De Einsatzleiter zorgde op het dak van het kantoor voor een schakelaar waarop diverse sirenes waren aangesloten. Twee tekenaars, waarvan ik er een was, werden aangesteld als gevers van tijdig luchtalarm.

Het Voorstergasthuis aan de Bagijnenstraat na het bombardement van 6 februari 1945: bron Gilde Deventer Beeldarchief

In februari 1945 waren enkele bombardementen. De vliegtuigen naderen uit het Zuiden en wij gaven alarm en gingen naar beneden. Bij de buitendeur stond een Duitse schildwacht met een karabijn op de vliegtuigen te schieten. De man heeft dat niet overleefd.

De vallende bommen hoorden we huilen en wij dus naar de kelder. Net op tijd. Ik word de kelder in geblazen en kwam er later beschadigd weer uit.

De bommen waren vlak voor het postkantoor gevallen, voornamelijk op een bejaardentehuis aan de Bagijnenstraat. In de stad was grote schade. De spoorbrug heeft het overleefd.

Verhaal 16: Een kind in de oorlog

Hij was geboren in Deventer in het voorjaar van 1939 en woonde in de binnenstad. Zijn vader had daar een groente- en fruitwinkel.
Hoewel hij nog erg jong was, kan hij zich nog veel gebeurtenissen uit de oorlogstijd herinneren.
De oorlogstijd heeft bij hem diepe sporen nagelaten.

Lees hier zijn verhaal over allerlei traumatische ervaringen die hij beleefde gedurende de oorlogstijd.

De restanten van het Groote- en Voorster Gasthuis. Het torentje op de achtergrond is van de gereformeerde kerk aan de Smedenstraat: bron Gilde Deventer Beeldarchief

Verhaal 15: Maria Vruink overleden ten gevolge van een bombardement

door Erna Gerritsen

Maria Vruink werd geboren in Deventer op 18-05-1854 als dochter van Hermanus Vruink en Geertruida Nieuwenhuis. Zij werd later pastoorsmeid in Dokkum.
Zij trouwde met mijn overgrootvader Hendrikus Petrus Rouwendal op 18-05-1898 in Deventer. Hendrikus Petrus Rouwendal was toen al weduwnaar van Wilhelmina Hendrika Klein Beernink.

Na het overlijden van Wilhelmina bleef Hendrikus met een groot gezin achter en zoals wel gebruikelijk was in die tijd wist de pastoor wel een goede vrouw voor hem. Dat werd dus Maria Vruink. Na het overlijden van Hendrikus op 31-08-1927 ging Maria Vruink in het Oude Vrouwenhuis in de Bagijnenstraat wonen. Mijn vader Bernardus Hendrikus Gerritsen, kleinzoon van Hendrikus Petrus Rouwendal, ging regelmatig op bezoek bij “opoe van de trapjes”, zoals Maria in de familie bekend stond vanwege de bordestrap voor het Oude Vrouwenhuis.

Maria heeft altijd heel goed gezorgd voor haar stiefkinderen en ze stond bekend als een hele lieve vrouw. Zij overleed op 03-05-1945 in Deventer op 90-jarige leeftijd  ten gevolge van een grote infectie in haar arm, die zij opgelopen had doordat er bij een bombardement een glasscherf in haar arm gekomen was.

Verhaal 14: Een schooldag in de oorlog in Terwolde

Ook in Terwolde was men getuige  van de bombardementen op de Deventer bruggen en gebouwen.

Lagestraat met de restanten van het koelhuis van Linthorst (Nova Zembla) Op de achtergrond de schoorstenen van Peters en Ankersmit: bron Gilde Deventer Beeldarchief

Vooral als de vliegtuigen eerst de bruggen van Zutphen gebombardeerd hadden en dan richting Deventer gingen en ze wierpen de bommen af op de Deventer bruggen, vielen de bommen ook richting Terwolde. Zo ook op woensdag 6 februari 1945.

Lees hier het indrukwekkende verhaal van de heer B. ten Bosch, die als schooljongen van 13 jaar op de Bandijk in Terwolde de vliegtuigen op die woensdag morgen om 10.00 uur aan zag komen.

Verhaal 13: Theo Hülsenbeck omgekomen 23 december 1944 bij V1-inslag

Interview via Whatsapp van Wim de Jong (lid 4mei comité Deventer) met mevrouw Els Hülsenbeck. Zij is de dochter van een dodelijk slachtoffer van een V1-inslag aan de Ceintuurbaan.
Dat was haar vader Theo Hülsenbeck, 42 jaar. De V1 was een wapen van de Duitsers, gericht op Antwerpen en Londen. Maar het was een zeer onbetrouwbaar wapen, de helft is neergestort voordat het doel werd bereikt.

Els is heel blij dat haar vader en moeder nu een plek krijgen in de Deventer geschiedenis. Dat is voor haar belangrijk en dat heeft ze tot op heden gemist. Ze vindt dat ook wel begrijpelijk. Het gaat immers maar om één gezin. Maar de impact van deze gebeurtenis op het leven van Els en van het gezin waar ze uitkomt, is groot geweest.

Els was tijdens het bombardement nog maar één jaar. Persoonlijke herinneringen kan ze dus niet vertellen over die gebeurtenis. Ter voorbereiding van dit gesprek heeft ze brieven van haar vader en moeder aan de familie in Amsterdam er nog eens bij gepakt. Die geven een betrouwbaar beeld van de aanloop tot de fatale gebeurtenis. Haar moeder schrijft op 10 oktober 1944, dat er een aanval van bommen op de brug en de spoorlijnen is geweest. Er waren veel huizen kapot, maar de brug was nog heel. Ze zat de hele ochtend met vijf kinderen in de kelder en ze waren allen erg bang. Haar vader was opgeroepen om te werken, zoals alle mannen in de stad tussen de 14 en 60 jaar. Hij kreeg een kantoorbaantje en was al lang blij dat hij niet hoefde te spitten. (WdJ: er moest een linie van loopgraven langs de IJssel komen. De Organisatie Todt organiseerde dat).

Zwolseweg hoek Schoolstraat verwoest na het bombardement van 28 oktober 1944

Haar vader schrijft over het bombardement op 28 oktober 1944: “van een regen van bommen, weer bedoeld voor de brug”. Daarbij zijn veel slachtoffers gevallen en veel huizen liggen in puin. Alle bommen vallen steeds in de driehoek tussen de twee spoorlijnen naar Amersfoort en Zwolle en daar wonen zij op de Ceintuurbaan vlakbij. Er is veel angst en het gezin verblijft vaak in de kelder.

Halverwege de maand november werden op bevel van de Wehrmacht alle huizen aan weerskanten van de Ceintuurbaan vlakbij het plantsoen, gevorderd. Het huis van de familie Hülsenbeck werd overgeslagen, omdat daar een gezin met veel kinderen woonde. Toen nog vijf, haar moeder was zwanger van de zesde. Achteraf heel wrang om in de brieven te lezen dat haar vader compassie had met de buren, omdat die binnen één dag moesten vertrekken en hun huis moesten leegmaken. Hij heeft de buren nog geholpen met die verhuizing en had het er graag voor over. Citaat uit de brieven: “Omdat wij mochten blijven zitten. U ziet dat we over geluk niet hebben te klagen”.

Op 22 december 1944 schrijft moeder: ”dat de kinderen er nu al aardig van meekrijgen”, bijvoorbeeld het broertje (bijna drie jaar) van Els zegt: “stil maar Elsje ’t is geen vliegtuig maar een V1”.

Een zus van Els vertelde een keer dat vader had gezegd, dat zij aan de Ceintuurbaan wel veilig waren. Het enige wat kon gebeuren was een verdwaalde V1. Als die een soort pruttelend en knetterend geluid maakte, hoefde je nergens bang voor te zijn, dan vloog hij gewoon door. Alleen als de motor stilviel, dan moest je wegwezen. De vliegende bom kwam dan recht naar beneden.

Ravage na een V2 inslag op de hoek van de Hoge Hondstraat en Ceintuurbaan

Toen dat op 23 december 1944 dan ook daadwerkelijk gebeurde en de bom in onze tuin viel, heeft mijn vader zeer kordaat opgetreden en snel samen met moeder iedereen uit huis gehaald. Mijn moeder, die moe was van het harde werken met vijf kinderen en haar prille zwangerschap, lag al vroeg in bed, samen met de kleintjes.  Waarschijnlijk heeft moeder mij opgepakt en vader de anderen. Binnen hooguit drie á vier minuten stonden wij allemaal buiten. Het moet een gedisciplineerde operatie zijn geweest, aangezien enkele minuten later al het huis één grote vlammenzee was. In het aangrenzende huis zijn ook ingekwartierde Duitsers omgekomen, maar ik weet niet hoeveel.

Wij woonden op Ceintuurbaan 96, tegenwoordig 148 dacht ik. Mijn moeder is met ons in de sneeuw op blote voeten en in pyjama overgestoken naar de familie Hunink, die ons opving in hun huis aan de overkant, Zonneheuvel. Vader bleek achteraf terug in het huis te zijn gegaan om kleertjes te pakken voor de baby, ik dus. Hij is waarschijnlijk door giftige gassen verrast en om het leven gekomen. Verder weet ik eigenlijk niets. Tot op de dag van vandaag ben ik panisch bij brand en bang bij dreunende vliegtuigen.

Heel lang werd over die brand niet over gesproken, in ieder geval niet in mijn bijzijn. Het was een enorm taboe. Zo groot dat ik er ook niet naar durfde te vragen. Er stond een foto op de schoorsteenmantel, waarvan men zei dat het mijn vader was; een man met een pijp. Daarnaast een beeldje van St. Jozef, het enige wat uit het huis was gered, begreep ik.

Mijn moeder is met ons na de Kerst 1944 onder begeleiding van Duitsers door de linies naar Amersfoort gebracht. Heel bijzonder, dat scheen te maken te hebben met oorlogsrecht. We gingen naar haar schoonfamilie. Moeders eigen familie in Amsterdam was niet te bereiken. In Amersfoort zijn we tot na de bevrijding gebleven en daar is ook mijn jongste zusje geboren. In augustus 1945 is mijn moeder met ons teruggegaan naar Deventer en hebben we gewoond in de Tesschenmacherstraat nummer 30.

In mijn peuterjaren logeerde ik vaak bij mijn opa en oma in Amsterdam of bij een oom en tante. En dan niet voor even, maar voor maanden. Dat was een zorgeloze tijd en daar heb ik goede herinneringen aan. Vooral aan mijn opa, daar was ik dol op. De periode van de lagere school was moeilijk. Mijn moeder had vaak migraine en lag dan dagen in bed. Ik herinner mij een zware en sombere sfeer in huis, het moest stil zijn. Ik speelde veel buiten en in de zomer ging ik na school, elke dag zwemmen in de Holterkolk en daar voelde ik me heerlijk.

Soms kwam ik bij vriendinnen een strenge vader tegen, dan was ik even blij dat wij geen vader hadden, ik wist gewoon niet wat dat was: een vader. In de eerste jaren van de middelbare school was ik ’s avonds weinig thuis. Ik zocht vaak gezelligheid bij andere gezinnen en vriendinnen. Later werd dat minder, want moeder deed haar uiterste best voor een goede sfeer. Ze wilde ook dat wij gingen studeren als dat kon, om later economisch zelfstandig te worden. Daar ben ik haar nog altijd dankbaar voor. Want we hadden het niet echt breed, althans als ik dat vergeleek met mijn vriendinnen. Dat was bijvoorbeeld te zien aan de kleding die ik droeg. Twee keer per jaar kwam er een doos met kleren uit Amerika en die waren hier natuurlijk niet in de mode. Maar mijn moeder was een goed pedagoog en maakt mij weerbaar.

Terugblikkend naar mijn vroege jeugd, ben ik mijn vader erg dankbaar voor zijn heldhaftige optreden, waardoor ik mijn leven heb kunnen leven. Mijn moeder schrijft in een brief van 27 december 1944 aan haar ouders: “de wetenschap dat Theo in zorg voor ons gestorven is, zal een groote troost zijn”.

Uit de brieven komt hij ook naar voren als een echte familieman, zorgzaam en warm, met veel compassie voor anderen. Ik had hem graag willen kennen.

“Els Hülsenbeck verloor haar vader door V1”
In deze video vertelt Els Hülsenbeck over de dood van haar vader door een neergestorte V1.

Verhaal 12: Bombardementsellende van Jan van Dijk

Christinastraat – hoek Hoge Belt na het bombardement van vrijdag 15 december 1944: bron Gilde Deventer Beeldarchief

Jan van Dijk (1908 – 1993) heeft een aanzienlijke hoeveelheid ellende meegemaakt als gevolg van de bombardementen die in het laatste oorlogsjaar van WO II op Deventer zijn uitgevoerd.
Jan en zijn gezin woonden toen in de Burgemeester Van Marlestraat op nummer 43, vlak bij de Ceintuurbaan.
Harm Muis (een ver familielid) heeft zich verdiept in de geschiedenis van Jan van Dijk en schreef er een verhaal over.

Klik hier om het door Harm Muis geschreven verhaal over Jan van Dijk te lezen.

Verhaal 11: Drie familieleden omgekomen

Zware schade aan de bakkerij van Maatman aan de Nieuwe Markt na het bombardement van vrijdag 15 december 1944: bron Gilde Deventer Beeldarchief

Soms waren er meerdere doden in één familie.
Jan de Roo uit Deventer schrijft:

“Bij het bombardement van 15 december 1944 zijn drie familieleden van me omgekomen. Het betreft mijn oom Jan de Roo (broer van mijn vader), tante Willy de Roo-de Groot, gehuwd met oom Henk de Roo (oudste broer van mijn vader) en hun dochter Willy de Roo.

Ze zijn alle drie begraven op de begraafplaats aan de Raalterweg”.

Verhaal 9: Herinneringen aan de oorlog, we sliepen in de danszaal van Bourgonjen

Familie Diesfeldt aan de Graven 3

Ze is zes jaar als de oorlog uitbreekt: Catootje (Tootje) Diesfeldt en woont, met haar ouders, twee broers en drie zussen, aan de Graven 3 in de binnenstad van Deventer.

Vader Hendrikus is vertegenwoordiger in textiel: op de fiets bezoekt hij met een koffer vol producten zijn klanten. Hij koopt zijn materialen bij de groothandels in de Polstraat en de Noordenbergstraat. Soms worden zijn kinderen er op uit gestuurd om bestellingen te halen.

Moeder Geertruida bestiert het huishouden in het – koude – bovenhuis aan de Graven. Het huis wordt gehuurd van Bakker Kemper, die een bakkerij heeft op de hoek van de Graven en de Stroomarkt en de benedenverdieping en de kelder van het bovenhuis (waar de familie Diesfeldt woont) in gebruikt heeft.

Veel geld is er niet, snoep is er zelden tot nooit in huis. Maar dat verschilt niet veel van de andere huishoudens in de buurt.

Tootje gaat naar de Broederenstraatschool (zie foto links: bron Gilde Deventer Beeldarchief), waar strenge nonnen (Zusters van Liefde, krengen van barmhartigheid) de scepter zwaaien.  Tootje herinnert zich nog goed hoe de ‘rijke’ kinderen op de school (de kinderen van Ankersmit en Noury) worden voorgetrokken: alle leuke klusjes mogen door hen worden gedaan.

“Ach, dat ging toen zo”, vertelt de nu 85 jarige, die inmiddels Kitty heet. “We vonden dat eigenlijk heel gewoon, maar ik weet wel dat ik ook wel een beetje jaloers was!”
Van de eerste jaren van de oorlog kan ze zich niet heel veel herinneren. “Ik was natuurlijk wel heel klein. En in eerste instantie ging het leven voor ons gewoon door. Ik weet wel dat we op een gegeven moment het schoolgebouw uit moesten. Ik weet niet helemaal zeker waarom, maar volgens mij omdat de Duitsers het gebouw wilden hebben. Wij gingen vervolgens in verschillende gebouwen naar school. De Houtmarkt was er een van, daar was mevrouw Vink, die heel hard aan je haar trok”!

Maar aan de Houtmarkt is ook Zuster Gerarda, een zuster met een dekseltje in haar hoofd voor verhalen. Die herinnert de kleine Tootje zich maar al te goed. Dan zei ze: “al ik eens kijken of ik nog een verhaaltje voor jullie heb?” En dat deed ze net of ze een dekseltje in haar hoofd opendeed en er een verhaaltje uithaalde. Ze kon prachtig vertellen, maar dat dekseltje: dat vond ik zó bijzonder!”

Alle kinderen uit de buurt spelen veel op de Nieuwe Markt. Kitty: “Ik kan me veel kinderen nog wel herinneren. We waren ook met veel. Speelden vadertje en moedertje of schooltje. Ik was de jongste, dus kwam meestal niet aan de beurt voor iets leuks, maar ik was er wel altijd bij.”

Bombardementen

Schade aan historische panden op de Graven na het bombardement van 15 december 1944: bron Gilde Deventer Beeldarchief

In het najaar van 1944 beginnen de bombardementen op de stad. Niet door de Duitsers, maar juist door de geallieerden. Zij willen de Spoorbrug over de IJssel vernietigen om zo de Duitsers ervan te weerhouden per trein de rivier over te steken. De sterke Duitse luchtafweer maakt dat de vliegtuigen hun bommen van grote hoogte moesten laten vallen, wat de nauwkeurigheid bepaald niet ten goede komt. Dat resulteert in enorme verwoestingen in de binnenstad van Deventer, terwijl de brug uiteindelijk nooit wordt geraakt.  Het aantal dodelijke slachtoffers loopt op tot meer dan 150 en van de 11.000 huizen raken er 8000 beschadigd of worden helemaal vernietigd.

“De apparatuur was natuurlijk ook niet zo betrouwbaar”, denkt Kitty. “Dus het is niet zo gek dat het zo vaak mis ging. We hoorden de vliegtuigen aankomen. Ik hoor nog een vriend van mijn ouders, meneer Lokhuizen, zeggen: Daar komt de familie Kort en Klein ook weer aan, terwijl hij beneden bij ons in de gang stond”. 

Vrijdag 15 december 1944: een zwarte dag

Op 15 december 1944 gaat het echt helemaal mis. “Wij waren met een heleboel kinderen in de Lange Bisschopsstraat”,  weet Kitty zich nog heel goed te herinneren.

“Het was opruiming bij Alma, een winkel met galanterieën en speelgoed. Natuurlijk hadden we geen geld om daar iets te kopen, maar het was een feest om ons te vergapen aan de etalage, waar al dat moois stond uitgestald. Daar moesten we bij zijn”!

Dan gaat het luchtalarm af. De kinderen Diesfeldt zijn goed geïnstrueerd: bij luchtalarm meteen naar huis! Daar kunnen ze schuilen in de kelder van de familie Kemper.

De Nieuwe Markt op de hoek met de Graven na het bombardement van 15 december 1944: bron Gilde Deventer Beeldarchief

Haar oudere zus Truus rent meteen naar huis en is op tijd in de schuilkelder. Maar de – inmiddels tien jaar oude  – Tootje heeft een kleiner vriendinnetje, Annie Kamp, aan de hand. Die huilt hartverscheurend en Tootje durft haar niet alleen te laten. Annie is een paar jaar jonger en kan niet heel hard lopen. Ze belt aan bij een winkel (EPA) in de Lange Bisschopstraat in de hoop daar een schuilplaats te vinden. De vrouw die open doet, gooit echter de deur dicht als ze de twee kinderen ziet. Gelukkig is er dan in de straat een man die vanuit zijn deuropening de meisjes toeroept dat ze bij hem mogen komen. Annie en Tootje zitten daar in de kelder tot het bombardement over is. Dan proberen ze – ieder afzonderlijk – naar huis te komen.

Tootje kiest de bekende route naar de Graven; via de Sandrasteeg. Brandend puin verspert haar daar de weg. In paniek probeert ze een alternatieve route, via de Kleine Poot. Maar ook daar kan ze niet door. Vanaf dat moment kan ze zich niets meer herinneren.

Haar oudere broer Theo wordt er op uit gestuurd om haar te zoeken. Hij vindt zijn zusje op de Stroomarkt. Ze verroert zich niet en hij neemt haar in zijn armen mee naar huis. Haar moeder denkt in eerste instantie dat ze niet meer leeft, maar behalve dat ze van schrik is flauwgevallen blijkt er niets met haar aan de hand.

Onbewoonbaar huis

Het huis aan de Graven is onbewoonbaar. Het dak is zwaar beschadigd en er is geen ruit meer heel.
Kitty: “Iedereen hielp elkaar, samen met Truus en mijn ouders hebben we een paar dagen in een heel klein huisje in de Lange Zandstraat geslapen. Mijn broers en andere zussen sliepen ergens anders. Na een paar dagen zijn we toen naar dansschool Bourgonjen gegaan in de Polstraat. De familie Bourgonjen was ook bevriend met mijn ouders. We sliepen daar in de danszaal en overdag woonden we in het tuinhuisje. Het huis had een kelder waar we in konden als het luchtalarm afging”.

Met Sinterklaas krijgen Truus en Tootje dat jaar een popje. “Geen idee waar mijn ouders dat vandaan hebben gehaald, maar ik was er maar wat blij mee”, herinnert Kitty zich.

Colmschate

Op 6 februari 1945 gaat het weer mis. Tijdens een heftig bombardement wordt het tuinhuisje volledig verwoest door een voltreffer. De familie zit veilig in de kelder, maar het huis aan de Polstraat is ook niet meer bewoonbaar. “Er was zo veel beschadigd en kapot. Mijn popje had het wonder boven wonder overleefd, dat heb ik nog steeds. Mijn vader heeft ons meegenomen naar Colmschate. Tegenover de huidige Ichtuskerk stond een dubbel woonhuis. Het lag vlak bij de spoorbaan en de bewoners waren er weggegaan omdat ze dat te gevaarlijk vonden. Maar we moesten toch wat. We zijn er gewoon in getrokken”.

Het huis heeft geen kelder en dus graven de broers Diesfeldt samen met de buurjongens een soort loopgraaf in de boomgaard. “We hebben daar in elk geval één nacht gezeten”, weet Kitty nog.
“Misschien wel vaker, maar dat weet ik niet meer. We waren op dat moment misschien nog wel banger voor de V1-raketten van de Duitsers (er is een V1-lanceerbasis vlakbij, in de bossen van Landgoed Oostermaat bij Lettele). Die kwamen recht over ons heen, op weg naar Engeland. Die dingen floten, als ze vlogen, maar als ze het niet goed deden begonnen ze te stotteren en dan kwamen ze naar beneden. Dus wij maar bidden dat ze bleven fluiten…”.

Canadezen

Dan op een dag in april, horen ze gestommel in het naastgelegen huis.

Soldaten van het Canadian Scottish Regiment en een lid van de Binnenlandse Strijdkrachten poseren met burgers: bron Gilde Deventer Beeldarchief

Vader Diesfeldt gaat kijken. Hij komt terug en zegt: “Er zitten allemaal kerels en dat huis en die doen allemaal zo”! Hij maakt een kauwbeweging. “En ik kan ze niet verstaan”.

Het blijken de Canadezen, die uiteindelijk op 10 april Deventer bevrijden. Kitty: “Ze kwamen bij ons in huis en vielen zo in slaap. Later bleek dat ze meegevochten hadden in Arnhem, ze waren doodmoe. Een paar stonden er op wacht, met een geweer. Ze kauwden kauwgom en spraken Engels. Gelukkig kon mijn zus Annie ze verstaan”.

De oorlog is voorbij. Huisbaas Kemper laat het huis aan de Graven repareren en als dat klaar is trekt de familie Diesfeldt er weer in. De kinderen vliegen allemaal uit, maar moeder Diesfeldt woont er tot ze in 1967 verhuist naar het splinternieuw gebouwde Ludgerus aan de Karel de Grotelaan.

Kitty heeft nog één bijzondere herinnering aan het huis op de Graven. “We hadden een geel blikje met voedselbonnen verstopt in een deur. Aan de bovenkant van die deur was een gat gemaakt waar het precies inpaste. Het zou me niks verbazen als dat blikje daar nog steeds in zit”!

 

Verhaal 10: Herinneringen van Willy Weenink

Mijn opa Gerrit Vos (geb.19-3-1881 in Sprang Capelle) was onder andere stationschef in Wehl.
Hij kwam na zijn pensioen met oma naar Deventer en ging tijdelijk bij ons wonen in de Polstraat.

Om de tijd door te komen ging hij werken op het distributiekantoor (uitgifte bonnen) in de Pontsteeg. Op de foto links de Pontsteeg met binnenplaats van de oude HBS: bron Gilde Deventer Beeldarchief.

Tussen de middag ging hij naar huis om te eten en toen was dáár het bombardement. Hij ging normaal nooit schuilen, maar toen wel en liep binnen bij een naaimachinewinkel op de hoek Kleine poot, tegenover de Botermarkt. Daar werd hij dodelijk getroffen.

Toen ik het hoorde – ik was vierenhalf jaar – was ik zo boos! Ik ging onder de tafel zitten huilen.

Bij de begrafenis moesten wij, mijn oma, moeder en ik, samen met familie Kuitenbrouwer (groenteboer in Knutteldorp) in een koets naar het kerkhof. De mannen moesten lopen. Daarna zijn wij nog een half jaar bij familie in Holten geëvacueerd geweest.

Verhaal 7: Drama op de laatste oorlogsdag 10 april 1945

door Wim de Jong (lid 4 mei comité)

Vandaag ben ik (Wim de Jong) op bezoek bij meneer en mevrouw van de Griendt in Raalte: Wim en Irene.
Het verhaal draait om de vader van mijnheer. Zijn vader Willem werkte bij de Diepdruk inrichting. De jongere broer van zijn vader heeft dit bedrijf gesticht in 1930. Enkele jaren daarvoor is Wim geboren. Het gezin woonde toen in Zwolle. Oom heeft zijn broer Willem meegevraagd om naar Deventer te komen om daar te werken in het bedrijf. Vader werd redacteur van de Geïllustreerde Pers.

Wim kwam uit een groot katholiek gezin. Daarin zijn 16 kinderen geboren. Twee zijn jong overleden. Wim was één van de oudsten. Hun parochie was de Heilig Hartkerk. Vader was daar voorzitter van het zangkoor en voorzanger in de kerk. Vader was een zachtaardige , vrolijke man die toegewijd was aan zijn werk. Thuis was moeder de baas. De oudsten in het gezin moesten helpen in het huishouden. Wim deed boodschappen. ‘Mijn oudste zus heeft tot daar 93-ste levensjaar in het ouderlijk huis aan de Hoge Hondstraat gewoond’.

Aan het van de oorlog was Wim 17 jaar. Hij hoefde niet naar Duitsland om daar te werken. Hij werd afgekeurd vanwege zijn astma. Jarenlang heeft hij gewoond bij zijn oma van moeders kant. De zeelucht in Rotterdam zou beter voor hem zijn. Daar heeft hij het bombardement van Rotterdam meegemaakt. Zijn oma woonde in Rotterdam-west, maar de vlammenzee heeft hij wel gezien.

Vanaf eind 1941 was Wim weer thuis in Deventer. Eind van de oorlog begonnen daar de bombardementen. Gelukkig hadden zij een kelder waar ze in konden schuilen. Moeder zat daar vaak met de jongsten.

Wim kan zich drie luchtgevechten herinneren rond het station.
“Op een dag sta ik met mijn broer in de deuropening van ons huis en zie ik een geallieerde jager aankomen, zo laag dat ik de piloot zo wat een hand kon geven. Hij liet boven ons huis een bom los en die sloeg in tegenover garage Boeve waar nu het pand van installateur Ewijk is. Drie doden, geloof ik.

Nog een keer zo’n voorval. Een geallieerde jager komt van de richting watertoren en begint met zijn boordwapens te schieten en schiet zo door ons huis heen. Op verschillende plaatsen zijn inslagen.
Door het afketsen van een kogel tegen de deurpost worden mijn tweeling broertjes ternauwernood gered. Dit moet begin 1945 zijn geweest. Ook heb ik meegemaakt dat er een bommenwerper laag over kwam. Dat moet een Amerikaan zijn geweest, die vlogen overdag.

Terwijl ik onder het spoorviaductje liep werd het vliegtuig (een Flying Fortress?) beschoten door vierlingmitrailleurs vanaf platte treinwagons. Het vliegtuig vloog gewoon door.

Ravage na een V2 inslag op de hoek van de Hoge Hondstraat en Ceintuurbaan

Verder heb ik de inslag van de V2 meegemaakt. Dat was zo’n enorme klap! Ik herinner me het nog goed. Ik had net melk gehaald en liep daar met mijn pannetje.

Nog een ervaring: Ik heb een luchtgevecht meegemaakt boven het station met wel 50 Duitse jagers en evenveel geallieerden. Dat was wel een heel uniek gezicht.
We letten altijd op het weer. Als het goed weer was, met goed zicht, dan werd er gebombardeerd.

Mijn vader was tewerkgesteld bij de organisatie Todt in Diepenveen. Toen hij hoorde van een bombardement in de Hoge Hondstraat is hij naar huis gekomen. Hij is daarna gewoon weg gebleven van dat werk. Zonder consequenties.

De donderdag voor de bevrijding ben ik met hem in het Rijsterborgherplantsoen wezen kijken naar de mangaten en loopgraven die daar waren gegraven. Gewoon nieuwsgierigheid. Later bleek dat heel gevaarlijk te zijn geweest, want er stonden bordjes met het opschrift: Attention mines!

Even later voelden wij al aan dat de bevrijding nabij was. De Canadezen zaten in Schalkhaar en het geluid van zwaar geschut werd heviger. Op 10 april werd er vanaf het station geschoten op de Canadezen die bij ons in de buurt zaten. Die zaten bij het Joden kerkhof. Mijn broer had een vriendinnetje in de Manegestraat. Daar ging hij gewoon naar toe. Moeder sputterde nog tegen, maar hij trok zich daar niets van aan. Hij was gewoon tussen de vuurlinies doorgelopen.

Mijn broer was niet de enige. De halve buurt was uitgelopen om naar de Canadezen te kijken. En hoe die aan het vechten waren met de Duitsers. De mensen dachten dat ze al bevrijd waren. Mijn vader ging ook kijken en nam twee zussen mee. Even later was hij weer terug. Later ging hij weer. Ik snap niet dat mijn moeder hem niet heeft tegengehouden. Maar misschien wist ze dat dat niet hielp.

Op een gegeven moment kwam het vuur niet meer van het station maar van zwaar luchtdoelgeschut bij Twello. Op de toren van de Grote kerk zaten waarnemers en die hebben dat vuur gestuurd. Ik herinner me drie zware klappen heel dichtbij en toen was het opeens doodstil op straat. Iedereen naar binnen. In de kelder. We zagen mensen met bebloede handen langskomen en een dokter. Maar vader kwam maar niet terug. Mijn moeder moet toen al gevoeld hebben dat er iets goed mis was.

‘Die onzekerheid heeft tot ’s avonds negen uur geduurd. Toen riep een buurvrouw mijn broer en zei dat zijn vader dood was. Hij moest het maar aan mijn moeder vertellen. De buurt durfde niet. Zo hadden we ook een jongen die schuilde bij ons in de kelder. Hij had naast vader gestaan op het moment van de inslag. Hij wist dat mijn vader dood was, maar durfde het de hele middag ons niet te vertellen. Al snel daarna komt mijn oom naar ons toe. Die was al aan het feesten.

Maar kreeg toen te horen dat zijn broer was omgekomen’. Ik ken nog 2 mensen die omgekomen zijn: ene Scheuter en de melkboer uit de Enkstraat.

Diepenveenseweg met gebouw “Help u Zelven”, gesticht door de werkliedenvereniging met dezelfde naam. Hier was later Uitvaartcentrum Roelofs is gevestigd.

De doden werden op het podium gelegd bij “Help U Zelven”  op de foto hierboven: bron Gilde Deventer Beeldarchief.


De 11 doden werden gekist en naar de Grote kerk gebracht, zie foto onder: bron Wikipedia. Daar stonden ook de kisten van de leden van de Twentol-groep. Bij elkaar bijna 30 kisten. Daar stonden gewapende BS’ers bij op wacht. Ik mocht mee naar de kerk, de kleintjes niet. De deksels stonden een beetje open en je zag mijn vader liggen, heel vredig eigenlijk. Ik herinner me nog de hyacinten in de kerk. Jarenlang heb ik die niet kunnen ruiken. Dat gaf een traumatische ervaring.

Mijn vader is begraven op de katholieke begraafplaats aan de Ceintuurbaan. Na een dienst vanuit de Heilig Hartkerk met een paard en wagen en één of twee auto’s. Daarachter het zangkoor en alle personeelsleden van de fabriek. Een hele stoet!
M
ijn moeder is altijd ongetrouwd gebleven. Zij heeft zich wonderwel positief opgesteld in het leven. De oudste zussen namen een stuk van de huishouding en de opvoeding voor een rekening.

Ik herinner mij nog dat mijn moeder een vakantie kreeg aangeboden in Denemarken. Dat was in 1946 samen met andere oorlogsweduwen. Zij hebben daar een mooie vakantie gehad. Op de terugweg kwamen zij langs Hamburg. De vernietigingen die ze daar zagen stelde Rotterdam in de schaduw. Moeder schijnt toen gezegd te hebben tegen de klagende weduwen dat het tijd werd om weer eens wat vrolijker te zijn. Het kon erger.

Ik denk nog dagelijks aan mijn vader en zie hem daar dan in zijn kist liggen”.

“Wim vertelt over de dood van zijn vader op 10 april 1945”
Op de laatste dag van de oorlog Deventer verliest Wim zijn vader door granaatvuur. Hij vertelt wat hij heeft meegemaakt op die dag. 

Verhaal 8: Nare herinnering van Anneli Ankersmit op bevrijdingsdag

“… Als kind ben ik opgegroeid met het verhaal dat de oudste broer van mijn moeder op de bevrijdingsdag van Deventer is omgekomen. Hij ging als laatste de schuilkelder in, liet anderen voorgaan en werd in zijn rug geraakt. Zijn naam is Jan Hurkens …”

Canadese infanteristen van het Canadian Scottish Regiment gaan in stelling op de spoordijk aan de Diepenveenseweg: bron Gilde Deventer Beeldarchief

Verhaal 5: Pieter Hidma slachtoffer bombardement 26 november 1944

Op zondag 26 november 1944 was het weer raak. Nu in een ander deel van de stad. Er vielen weer bommen en er waren weer doden en gewonden. Pieter Hidma was een van slachtoffers.
Hieronder volgt het proces-verbaal van de politie en daaronder een transcriptie.

Transcriptie van het proces verbaal:
Gemeentepolitie Deventer
Proces-verbaal

Gewelddadigen dood ten gevolge van een luchtaanval door vliegtuigen op de gemeente Deventer.

Nadat op zondag 26 november 1944, te om 15.00 uur, een luchtaanval, door vliegtuigen had plaatsgehad op de gemeente Deventer, waarbij bommen waren afgeworpen op de Mr. de Boerlaan aldaar heb ik: Christiaan Adolf Schuurman, opperwachtmeester der gemeentepolitie te Deventer, tevens onbezoldigd veldwachter, een nader onderzoek ingesteld, naar eventuele slachtoffers. In het perceel Mr. De Boerlaan aldaar 54 te Deventer, trof ik een lijk aan van een man, dat onder puin van dit perceel was gevonden. Bedoeld perceel is niet door een bom getroffen doch doordat daar in de buurt bommen waren gevallen is vermoedelijk ten gevolge van lucht luchtdruk dit perceel beschadigd. Het lijk werd in mijn bijzijn door Juliana Wilhelmina Scholten, oud 35 jaren zonder beroep, echtgenoote van het slachtoffer woonde Pontsteeg 35 te Deventer en door: vergelijking met de foto van zijn persoonsbewijzen herkent als te zijn van: Peter Hidma, geboren 3 juli 1905, van beroep los arbeider, echtgenoot van J.W. Scholten woonde Pontsteeg 35 te Deventer. Het slachtoffer is door mijn zorg overgebracht naar het Sint Geertruidenziekenhuis te Deventer. Een geboorteextract en een geneeskundige verklaring betreffende de doodsoorzaak van het slachtoffer gaat hierbij. Ik heb dit proces-verbaal op ambt eed opgemaakt te Deventer op 27 november 1944.

Was getekend: de opperwachtmeester

Verhaal 4: Oorlogsherinneringen van Anneke Lutgerink

Toen de oorlog in 1940 uitbrak was ik 5 jaar oud. We woonden toen in de Noordenbergstraat op een bovenverdieping, tussen de twee bruggen in.

Bombardement 28 oktober 1944: bron Gilde Deventer Beeldarchief

Wanneer de sirenes afgingen moesten we snel naar beneden naar een grote schuilkelder achterin dat pand. Eens lukte dat niet en werd ik door een onbekende beetgepakt en in een koelcel geduwd. Heel eng was dat!

Het geronk van de laagvliegende vliegtuigen en het gepokkepok van de kogels vergeet je niet gauw. Na zo’n aanval gingen mijn broers de hulzen zoeken. Naast ons was een bom gevallen met gewonden en ook ons dak was eraf geschoten.

Het werd toen zo gevaarlijk dat mijn vader besloot om naar familie in Heino te verhuizen. Ook daar beleefden we van alles. In een melkfabriek slapen, in een kuil bij een boer.

Britse vlammenwerpertanks ondersteunen de Canadese opmars door de stad. Hier op de Rielerweg: bron Gilde Deventer Beeldarchief

De bevrijding van de Canadezen was dan ook aan een heel nieuw leven beginnen. Maar alles had mij zo aangegrepen dat ik van een arts met m’n zusje met de Oranje Nassau voor een half jaar naar Engeland moest. Helaas heb ik de beleving van  toen  als kind  nooit van me af kunnen zetten .

Verhaal 3: Een jongen uit de Noordenbergbuurt tijdens de Tweede Wereldoorlog

Ernst Brinkmann werd in juni 1923 geboren in het huis aan de Welle 2 en groeide later op in het huis aan de Van Twickelostraat 1 (toen 14). Zijn naam staat hieronder op de lijst van zwaargewonden van het Sint Josef Ziekenhuis in verband met het bombardement op 28 oktober 1944.

Je kunt dus zeggen een jongen uit de Noordenbergbuurt.

Als katholieke jongen voltooide hij zijn HBS op Rolduc (kostschool) in Kerkrade. Deze woonplaats staat daarom genoteerd op zijn ‘Ausweis’

Als zoon van een textielfabrikant met een atelier aan Lindenstraat 6 (de huidige Fermerie), zou hij ná de oorlog de textielschool in Enschedé gaan volgen.

Om dienstplicht te ontlopen werd echter eerst een strategische keuze gemaakt. Hij liet zich inschrijven aan de Tropische Landbouwschool in Deventer. Met deze keuze haalde hij zijn ‘Ausweis’ binnen omdat hier de toekomstige producenten van voedsel werden opgeleid. De reden voor de enorme toeloop van studenten was directeur Duinhouwer bekend en hij eiste van ieder een volledige inzet.

Maar deze vrijstelling voor dienstplicht werd tussen D-Day (6 juni 1944) en Dolle Dinsdag (5 september 1944) in fasen onderuit gehaald. Hitler besluit op 30 augustus om de Atlantik Westwall weer in staat van paraatheid te brengen en o.a. te verlengen via de IJssel.
Daarvoor  was immers veel mankracht nodig voor het zogenaamde ‘Putjesgraven’ (het aanleggen van verdedigingswerken). De sfeer wordt grimmiger omdat burgers gedwongen worden.
Burgemeester Wttewaall die weigert mee te werken, duikt op 18 september 1944 onder[1].
De NSB-er Hendrik van der Molen wordt waarnemend burgemeester die feller optreedt met het vervaardigen van eerst een oproep en daarna het ‘Bevel’. 

Op 27 september gaat de oproep de deur uit die als volgt luidt:
‘De burgemeester der gemeente Deventer doet een beroep op de mannelijke ingezetenen, aan wie het mogelijk is om zich vrijwillig op te geven voor de arbeidsinzet in het stadsgebied zich te melden bij O.T.-Einheit, Borgele, Diepenveen tegenover ’t Löken Lookersdijk.
Belooning Fl,- 5,- per dag, alsmede volledige voeding, met inbegrip van rookwaren.
Zij, die deze werkzaamheden kunnen verrichten, dienen zich zooveel mogelijk te melden in het belang der overige stadgenooten’.

Deze laatste zin is later gecorrigeerd in:

Zij bevorderen hierdoor in het belang van de overige stadgenooten, dat de normale gang van zaken in de gemeente Deventer als gevolg van den arbeidsinzet zoo min mogelijk wordt verstoord.

Deventer, 27 september 1944

De wn burgemeester voornoemd,’[2]

In deze tijd was zelfs de Ausweis die mijn vader had gekregen als leerling van de Middelbare Koloniale Landbouwschool, geen garantie meer op een vrijwaring van deze razziale arbeidsinzet.

Hij was inmiddels, al sinds september ondergedoken, samen met zijn vriend Frans Bertels, in het confectiebedrijf van de familie aan de Lindenstraat 6 (o.a. het huidige pand van de Fermerie). 

Omgeving Zwolseweg na het bombardement van zaterdag 28 oktober 1944: bron Gilde Deventer Beeldarchief

Tijdens het geallieerde bombardement op Deventer werd rond 16.00 uur na de panden aan de Kapjeswelle, Van Twickelostraat, Molenstraat, Graaf van Burenstraat, Lindenstraat, hoek Ossenweerdstraat, uiteindelijk ook het échte doel bereikt: De spoorbrug van Deventer[3].

Mijn ondergedoken vader raakte zwaar gewond met schade aan been en gezicht. Een nog overeind staande deurpost heeft hem uiteindelijk het leven gered.

Zijn ongedeerde vriend Frans Bertels haalde hulp door over de muur[4] te klimmen tussen het confectiebedrijf en zijn ouderlijk huis waar zijn vader een huisartsenpraktijk had.

In oorlogssituaties zorgt een massale toestroom van gewonden in een beperkt tijdsbestek voor een andere aanpak in de chirurgie. Alleen het hoognodige kan worden uitgevoerd. Zo werden de gezichtsverwondingen alleen gehecht terwijl de glasdeeltjes zijn verdere leven soms ’s morgens op zijn kussen te vinden waren. Ook na het verwijderen van een granaatscherf uit zijn linker onderbeen, moesten de spieren en zenuwen zelf hun weg weer vinden naar een soort van genezing.

Een doorslagje van een getypte brief (zie foto bovenaan) aan het Vecozo-Ziekenfonds op 4 maart 1957 laat weten dat Ernst tot medio december was opgenomen in het ziekenhuis[5] en daardoor niet aan deze oproep gehoor kon geven. 

Dat de verbetenheid van burgemeester Van der Molen na dit bombardement gewoon doorging, blijkt uit de inhoud van een dwingend ‘Bevel’[6].

Daarin staat o.a.:
Alle mannen in de leeftijd van 17 t/m 40 jaar zich moeten aanmelden voor den arbeidsinzet.

Het bevel wordt afgesloten met de zinnen die toenemen in lettergrootte:
‘Het is aan alle bewoners der gemeente verboden hun woonplaats te verlaten’.

Met als afsluitende weerzinwekkende zin:
‘Op hen, die pogen te ontvluchten of weerstand te bieden, zal worden geschoten’.

Hoe het na het ontslag uit het ziekenhuis en na de bevrijding met mijn vader is gegaan weet ik (nog) niet.

 

[1]           Ach Lieve Tijd  ‘1000 jaar Deventer en Deventenaren’  1989-1991 Uitgeverij Waanders, pg 217

[2]           SAB dossier ID 1382, Inv nr 1402, aanvraagnummer 25021

[3]           Saricon BV: Grondradar onderzoek uiterwaarden Deventer 2011 pg 9 vd 50

[4]           Foto muur en achtergevel Confectiebedrijf / Fermerie uit Colofon Wij Deventer december 2017

[5]           SAB met ID 0950 dossier 377: Staten houdende de namen van de slachtoffers als gevolg van de oorlogshandelingen in de jaren 1944 en 1945, voor zover opgenomen in het Sint-Jozefziekenhuis

[6]           SAB dossier ID 1382, Inv nr 1402, aanvraagnummer 25021

Verhaal 2: Ook onder nabestaanden vielen er eigenlijk nog slachtoffers

(Door Ria Kuijper)     

Ik ben geen nabestaande, maar heb het volgende verhaal gehoord over een slachtoffertje.

In 1976 kwam ik, als 25-jarige niet-Deventerse, te wonen in de Perzikstraat … te Deventer.
Net om de hoek in de Lange Zandstraat … woonde destijds een ouder echtpaar.
De man was vaak dronken, en ja, ik nam dat voor kennisgeving aan. Gebeurde vaker toch?

Ik was bezig, samen met mijn vriend een nestje te bouwen en huwelijk en zwangerschap eisten mijn aandacht geheel op.
Toen de man, naar er verteld werd, dronken een dodelijke val van de trap maakte, vond ik dat vreselijk toen ik het hoorde, maar ik kende het echtpaar niet en mijn leven ging verder.
De vrouw is later, naar ik hoorde, begin jaren 80 verhuisd naar een flat in Keizerslanden.

Pas later hoorde ik van iemand die ten tijde van de oorlog in mijn buurt woonde, dat er op een dag een bombardement geweest is, met als doel de spoorbrug en dat die bom  neergekomen is in de Appelstraat. Bij die gebeurtenis is het zoontje van het echtpaar … uit de Lange Zandstraat om het leven gekomen.

Bombardement 28 oktober 1944: bron Gilde Deventer Beeldarchief

De Perzikstraat heette tijdens de oorlog Appelstraat. Het moet ongeveer gebeurd zijn op de plaats waar ik in 1976 kwam te wonen. In de jaren 50 is daar een nieuw blokje van 4 huizen neergezet door de Salland drukkerij voor haar werknemers.

Wat ik hoorde is dat de man na de dood van zijn zoontje steeds meer is gaan drinken, met het gevolg het tragische ongeval dat hij van bovenaf de steile trap naar beneden is gevallen.
Het moet voor die mensen verschrikkelijk zijn geweest. Ik weet niet precies hoe oud dat jongetje is geworden.

Hoe dan ook, het verhaal is mij altijd bij gebleven, en als ik er aan denk, schiet ik nog steeds vol.
Zoveel verdriet en dat is nog maar één van de vele slachtoffers. Ook onder nabestaanden vielen er eigenlijk nog slachtoffers.

 

Verhaal 1: Transcriptie brief Cath, Henri e.a. over het bombardement op 28 october 1944

(Afschriften ontvangen van Memory Vrijheidsmuseum Nijverdal)

Deventer, 3 oktober nov.44 

Beste G,

In de Courant, als je die nog ontvangt? Zul je wel gelezen hebben dat er een stad in het oosten des lands weer door de Eng: gebombardeerd is. Dit is helaas waar en wel Deventer, Zaterdagmiddag 4 uur kregen wij bezoek van ongeveer 40 a 50 vliegtuigen, en direct kwam het afweergeschut, zwaar en licht (Wat thans om heel Deventer staat) in werking. Wij allen de kelder in, deze heb ik nog extra versterkt met palen en daar begon het bombardement, de bommen raasden om en over ons heen, en door het lawaai der afweer kanonnen hoorden wij steeds de ontploffingen der bommen, alles speelde zich in een kwartier af. En wij dachten nu is de brug zeker wel kapot, maar deze is licht beschadigd, maar toen wij uit den kelder kwamen, was er bijna niets te zien zoo’n zwarte wolk rook en stof passeerde ons, toen kwamen er al huilende mannen vrouwen en kinderen, alles nog op de vlucht, en ons huis is weg, huis staat in brand eng: eng: Toen ik de Alex Hegiusstr keek was het een geweldige brand precies zagen wij dat, even later ben ik er geweest. Maar ons stadswijk is ontzettend beproefd geworden, volgens telling ruim 100 woningen en reeds 33 dooden zijn geborgen en nog liggen er zwaar gewonden in het ziekenhuis.Als je van ons huis naar de trein gaat, begint het in de Akkerstraat.

(Op de foto boven: Zwolseweg hoek Schoolstraat verwoest na het bombardement van 28 oktober 1944: bron Gilde Deventer Beeldarchief)
Je weet wel de laatste zijstraat rechts als je bij de Boxbergerweg komt waar de slager woont. Daar zijn aan een kant 2 bommen in de tuintjes gevallen al de huisjes kapot, en rechts is er een gevallen, ook hier alles kapot geen dooden dan die groote galanterie zaak op de hoek voltreffer alles weg, de slager al de ruiten stuk ramen weg en veel thuis kapot, dan om de hoek bloemenwinkeltje en nog 3 huisjes er naast alles weg daar achter 8 a 10 huisjes weg veel dooden, dan bij de spoorweg alles kapot, en bij het viaduct weer huizen weg door voltreffers alles kapot en weer dooden nu naar Boxbergerweg kniewinkel weg
Op de hoek er naast, café weg 3 winkelhuizen weg en hierachter de matrassenfabriek van Holtkamp totaal uitgebrand en zoo goed als weg. Overal dooden en gewonden Juff. Ballings van de Uniewinkel is in een andere buurt voor ziekteverlof, dus die was er niet. Maar bij de Unie waren geen dooden dan een straatje precies er over halvestraat totaal weg, ook een groote schuur van die boeren die voor in de kerk zitten totaal weg, huis gespaard maar onbewoonbaar, dan Zwolscheweg, filiaal Albert Hein totaal weg geen dooden precies er naast winkel Zijlstra 4 dooden alles weg daar naast winkel en woonhuis ook weg, en dan verder alles onbewoonbaar, dan de drogist ten Anker, voltreffer ook weg.

Tegenover A. Hein, groot huis met timmerwinkel totaal weg en 200 gaat het verder tot bij de brug. het is nu allemaal afgezet en dit ter wering van dieven, Maar je weet ik ben ook bij de luchtbescherming dus had ik zaterdag direct toegang en ook heb ik daar reeds gepost, het is verschrikkelijk om alles dan te zien en wat voor een angst wij hebben uitgestaan kun je wel indenken, wat wordt er toch geleden voor de lieve vrede hier is dit nu het grootste bombardement in 5 a 6 weken dat wij nu 3 keer hebben gehad. Ook Zutphen heeft nog slimmer gehad, hier waren 150 dooden, en je wel bekende steegje Aapenstert is ook verdwenen, deze geheele hoek met station is een puinhoop geworden. Maar daar schijnt de brug wel kapot te zijn. Zoodra wij maar wat hooren in de lucht staan wij voor de kelder klaar, en zoodra het afweer begint duiken wij met rozenkrans in de gewelfde ruimte.

Met dit bombardement hebben de kelders ruimschoots hun goede schuilplaats bewezen, want zij die daar in waren zijn allen behouden uit de puin te voorschijn gekomen, dus dit houden wij nu ook voor ons als schuilplaats.

Wij kunnen deze brief morgen 4 November met een koerier die naar Amsterdam gaat mede geven, dus ze kan nu maandag in je bezit wezen.

Nu beste G. laat ook eens horen hoe of het in Mokum is, en nog even de tanden op elkaar en Gods beste zegen, en dat wij weer de komende kerstdagen in Vrede op aarde mogen vieren, dan zijn wij weer gelukkig gespaard gebleven.

Vele groeten aan allen van allen.

Cath, Henri Miek Joke Haagsche Joke en Corry.

Op de kop geschreven staat:

Beste G. wat een vreselijke tijd he en wat ons nog te wachten staat. Mijn nicht uit Diemen heeft ons ook al aangeboden bij haar te komen, maar er is hier een verhuisverbod gekomen en waar ben je veilig?. Dag beste G. alle goeds hoor. Hartelijk gegroet, gr. Aan je Fam. En Marie

Cath.